De kleine goedheid

 

Het gebeurde per ongeluk. De Duitse soldaten waren bij haar binnengevallen, hadden haar man opgepakt en daarna met wat ze in huis vonden feest gevierd – alles rijkelijk overgoten met enkele flessen wodka. Nu, vroeg in de ochtend, maakten ze zich klaar voor een nieuwe dag en controleerden nog even hun machinegeweren. Plots ging een schot af. Ongewild had een van hen, halfdronken nog, de trekker overgehaald en zichzelf in de buik geschoten. Noodgedwongen moesten ze hun gewonde makker achterlaten.

De bejaarde bewoonster van het huis, die ze haast geen blik had- den gegund, zag de kans schoon om zich te wreken. Maar toen de Duitser “water” stamelde, ging ze hem een glas water halen. En toen hij liet merken dat hij graag wat meer rechtop wou zitten, hielp ze hem daarbij. Dat was niet per ongeluk – het was gewoon sterker dan haar- zelf, die “kleine goedheid” werd haar gegeven.

 

Naar een anekdote uit de Slag om Stalingrad in de 2e Wereld- oorlog, verteld door Vasili Grossman in “Leven en lot” (uitg. Balans, 2011)

Waar het kwaad geen werk van duivels is, is ook het goede geen product van heiligen.

 

Begin deze maand overleed een gewone vrouw over wie geen artikelen of necrologieën in de krant geschreven worden. Ze werd in kleine kring begraven. Haar naam was Anny. Ze was iemand die een blijvende stempel op mijn leven heeft gedrukt. Ik heb al meermaals geschreven en gesproken over hoe ik als meisje van zeven jaar met mijn familie naar België vluchtte. De moeilijkheden om opnieuw te beginnen, onderaan de sociale ladder. De eerste maanden in het Klein Kasteeltje. Hoe we daarna in een Oost-Vlaams dorp terechtkwamen. Onze komst naar België viel ook samen met de opkomst van het extreemrechtse Vlaams-nationalisme.

Ik was amper 10 jaar toen extreemrechts in november 1991 zijn grootste verkiezingsoverwinning behaalde. De affiches met veegborstels en bokshandschoenen – ze zouden de straten eens goed kuisen van al dat migrantengespuis – maakten een diepe indruk op me. Ook in het landelijke dorp waar we woonden leefde extreemrechts racisme op. Begin jaren 90 gebeurde het meer dan eens dat de banden van onze auto stuk gestoken werden.

 

Goed en kwaad

Maar net zo goed waren er individuen die hun hart en huis voor ons openstelden. En zo iemand was Anny. Ons bestaan in die eerste jaren in België was een kwestie van overleven, eerder dan van leven. Er was nauwelijks geld. Maar Anny en haar familie hielpen ons waar mogelijk. In hun huis konden we onze verjaardagen of communiefeesten vieren. Het is met hun fototoestel dat we enkele foto’s konden nemen van onze beginjaren in België. Zij hielpen ons in dit nieuwe land een thuis te maken.

Hannah Arendt werd wereldberoemd met haar theorie over de “banaliteit van het kwaad”. Het kwaad in de wereld is het product van doorsnee figuren, eerder dan van tot op het bot rotte mensen. Schijnbaar banale figuren. Maar waar het kwaad geen werk van duivels is, is ook het goede geen product van heiligen.

Dat stelde ook de Amerikaanse psycholoog Philip Zimbardo. Zimbardo werd bekend met zijn niet geheel onomstreden Stanford Prison Experiment (1971). Verdeel mensen in twee groepen, maak van hen een gevangene of een gevangenisbewaker, en de gevangenisbewaker zal zijn rol met verve en groot naturel vervullen. Conclusie: geef een mens veel macht, met weinig controle daarop, en machtsmisbruik zal nooit veraf zijn.

Later raakte Zimbardo meer geïnteresseerd in het goede dan in het kwade waartoe de mens in staat is. En hij schreef over de immense morele kracht van doorsnee mensen. Schijnbaar banale figuren. Het paradigmatische voorbeeld daarvan was voor hem orkaan Katrina. In 2005 veroorzaakte die dood en vernieling op immense schaal in en rond New Orleans. De Amerikaanse overheid werd terecht bekritiseerd voor de aanpak van de ramp. Waar de overheid tijdens de reddingsoperaties in gebreke bleef, riskeerden vele gewone burgers hun eigen leven om dat van anderen te redden.

 

Lampedusa

Iets dergelijks zie je vaak bij grote tragedies. Wat voor mij als paradigmatisch voorbeeld geldt, is de ramp voor de kust van Lampedusa in 2013. Driehonderd van de vijfhonderd bootvluchtelingen stierven er de verdrinkingsdood. De mensheid en menselijkheid leken voor even gebald op een klein, Italiaans eilandje. Je zag ronddrijvende lijken, lichamen gestapeld op de kade des doods, een kind gewikkeld in een goudkleurig onderkoelingsdeken dat fonkelend het wrange licht van de ochtendzon weerkaatst – niet alles wat schittert, is goud.

Het zijn vreselijke beelden die nog altijd op mijn netvlies zijn gebrand. Maar in die beelden zie je ook de hulpverleners en de gewone burgers opduiken, die de handen uit de mouwen steken om tegemoet te komen aan een dwingend moreel appel, in het bijzonder wanneer vele anderen op afstand de schouders ophalen.

Het zijn kleine straaltjes licht, hoop en goedheid in een ondraaglijk somber decor. Tussen alle ellende een sprankje hoop, is dat geen synoniem voor het menselijke bestaan zelf? Zo’n sprankje uit mijn jonge jaren doofde begin deze maand definitief uit. Wat overblijft is de gloed van herinnering. Ook daar kan een mens zich aan verwarmen.

Met de overvloedige ellende in de wereld – Iran, Oekraïne, Gaza, Soedan, Wit-Rusland enzovoort – worstelen veel mensen met een gevoel van machteloosheid en met de vraag: wat kan ik als klein individu doen? Wel: wees een sprankje in het leven van anderen. Dat zal nooit banaal zijn. Niemand is te nietig om niet iemand voor iemand anders te kunnen zijn. Je moet geen supermens zijn om een goed mens te zijn. Met kleine daden kun je van grote betekenis zijn. Wees een Anny.

 

Alicja Gescinska is schrijver van Vrouwen in duistere tijden, filosoof en voorzitter van PEN Vlaanderen.

18 maart 2026,